Leef niet alsof het je laatste dag is, maar je eerste

Leef niet alsof het je laatste dag is, maar je eerste

Delen:

Sinds enkele jaren breng ik mijn vakantie door aan de Atlantische kust, in de Gironde. Telkens als ik de oceaan terugzie, voel ik een intense ontroering. Naarmate de dagen verstrijken, vervaagt dat gevoel. Tot de laatste vakantiedag. Aan de vooravond van mijn vertrek lijk ik dit overweldigende schouwspel het meest te waarderen, wetende dat ik er bijna een jaar lang niet van zal kunnen genieten.

Moet ik dan, zoals de stoïcijnen in de oudheid al adviseerden, proberen elke dag te leven alsof het mijn laatste is? Om elk moment in deze prachtige landschappen ten volle te beleven? Het is in elk geval een veelgehoord advies in de wereld van persoonlijke ontwikkeling. Maar het is ook een advies met twee kanten.

‘Laatste keren’ zorgen inderdaad vaak voor een intensere beleving. Maar ze roepen lang niet altijd alleen aangename gevoelens op. De Franse filosofe Sophie Galabru wijdde onlangs een heel boek aan deze kwestie en nuanceert dit mooi. In een van haar slotzinnen schrijft ze:

“De koortsachtige drang om beter te leven dan anderen, intenser te bestaan dan het vorige moment, sterker en vaker te genieten, leidt slechts tot een jaloerse opeenstapeling van kostbare ervaringen die broos zijn en voortdurend volledig verloren dreigen te gaan.”

Galabru stelt daarbij het idee ter discussie dat we onze ervaringen kunstmatig zouden moeten intensiveren. In plaats daarvan roept ze op tot een voortdurend hernieuwde blik op het leven, gedragen door nieuwsgierigheid. Je moet je blijven verwonderen, zoals bij een eerste keer.

Een paradoxaal effect

Het idee van ‘laatste keren’ en de emoties die ze oproepen, is ook uitgebreid onderzocht in de psychologie. Een van de belangrijkste onderzoekers op dit terrein is Laura Carstensen, hoogleraar aan Stanford University in de Verenigde Staten. Zij richtte er het Centrum voor Levensduuronderzoek op en leidt het nog steeds.

Haar werk vertrekt van een opvallende vaststelling: als we ouder worden, ontwikkelt zich een positiviteitsbias. Ouderen ervaren gemiddeld vaker aangename emoties dan jongeren. Carstensen ontwikkelde de socio-emotionele selectiviteitstheorie om dat te verklaren. Wanneer je beseft dat je nog maar beperkte tijd te leven hebt, ben je geneigd om vooral betekenisvolle en bevredigende ervaringen na te streven.

Maar de psychologe waarschuwt dat dit bewustzijn ook een keerzijde heeft. Het brengt vaak gevoelens van nostalgie en verdriet met zich mee over de onvermijdelijke verliezen in het leven. Daardoor kan je stemming somberder worden.

Het bijzondere gevoel dat je bij ‘laatste keren’ ervaart, is paradoxaal: het kan vreugde en verdriet tegelijk oproepen, emoties met een tegengestelde lading. Carstensen noemt dit poignancy, een combinatie van plezier en beklemming die ontstaat bij het besef dat iets ten einde loopt. Zo’n gemengd gevoel kan je tijdens je hele leven ervaren, maar het komt vaker voor naarmate je ouder wordt.

Vooruitkijken

Om dit te onderzoeken, hanteerden Carstensen en haar team een vrij eenvoudige aanpak. In één studie vroegen ze studenten zich een plek voor te stellen die voor hen bijzonder waardevol en betekenisvol was. Sommige studenten moesten zich voorstellen dat ze die plek voor de allerlaatste keer bezochten. In een andere studie lieten ze zich inspireren door natuurlijke ‘laatste keren’, zoals een diploma-uitreiking. Deelnemers moesten zich ofwel concentreren op wat ze achterlieten, ofwel op hun toekomstige leven.

Het besef dat iets misschien voor de laatste keer gebeurt, terwijl je iets plezierigs beleeft, verhoogt de waardering voor het moment

De resultaten tonen aan dat het gevoel van poignancy vooral voorkomt in situaties met een b­etekenisvol einde. Met andere woorden: het besef dat iets misschien voor de laatste keer gebeurt, terwijl je iets plezierigs beleeft, verhoogt de waardering voor het moment. Tegelijkertijd roept het ook een golf van nostalgie op die die vreugde wat doet verbleken.

In plaats van de makkelijke tips uit de wereld van persoonlijke ontwikkeling, geef ik de voorkeur aan de wijsheid van Galabru. Zij roept op tot volledige aandacht voor het moment:

“Er zijn in het hier en nu, juist omdat ik graag leef, en niet uit angst het leven te verliezen.”

Delen:

Wanneer ons wordt gevraagd om ons gedrag aan te passen, bijvoorbeeld om voortaan genderneutrale taal te gebruiken of om minder vlees te eten, ervaren we vaak weerstand. Daardoor kan het soms lang duren voordat een verandering geaccepteerd wordt en wil dat soms zelfs helemaal niet lukken.

Brokkelt het geloof in het Westen verder af, of krijgt het gewoon een nieuwe vorm? Vooral jongeren ontdekken het geloof op hun eigen manier, soms zelfs via sociale media en artificiële intelligentie.

Terwijl de samenleving verder seculariseert, (her)ontdekken heel wat jongeren juist de betekenis van geloof, zingeving en gemeenschap. Van een religieuze revival of een massale toestroom naar de kerk is echter nog geen sprake: jongeren lijken er vooral anders mee om te gaan.

Er zijn van die dagen waarop werken op kantoor haast onmogelijk lijkt: allerhande storende geluiden, mensen die af en aan lopen, gesprekken om je heen … Wat kun je in zo'n geval doen? Je aandacht zelf in de hand houden, zodat je niet langer afgeleid wordt.

In een grootschalig onderzoek toonden Britse psychologen aan dat mensen met ADHD een verhoogde mortaliteit hebben door alle oorzaken. Daarvoor legden ze de resultaten van negentien studies met in totaal meer dan 15,9 miljoen deelnemers samen.

Helpt cognitieve training om een terugval in depressie te voorkomen? De effecten verschillen sterk van persoon tot persoon.

Dit is een artikel van: Mensenkennis (www.mensenkennis.be)

Iedereen geeuwt, vooral als je moe bent of je verveelt. Veel mensen merken dat ze een geeuw voelen opkomen zodra iemand naast hen geeuwt. Is geeuwen echt besmettelijk?

Dit is een artikel van: Gezondheid en Wetenschap

Patiënten vragen soms om een geamputeerd lichaamsdeel mee te geven om te laten begraven. Dat kan belangrijk zijn vanuit hun religieuze of culturele overtuigingen. Toch is het voor zorginstellingen onduidelijk of zij op deze vraag moeten of zelfs mogen ingaan.  

De zenuwcellen in onze hersenen moeten voortdurend beschadigde en overbodige onderdelen opruimen, ook in hun verste uithoeken. Maar niet alles wat ze daarvoor nodig hebben, is daar beschikbaar. Ons onderzoek met fruitvliegen laat zien hoe de aanvoer van materiaal binnen een zenuwcel mee bepaalt hoeveel er wordt opgeruimd.

Dit is een artikel van: Scicomm Academy van SciMingo

En blijf op de hoogte van de laatste inzichten in wetenschap en technologie.

Nieuwsbrieven