Ergens tijdens de laatste ijstijd moet de pijl-en-boog zijn uitgevonden. Mogelijk gebeurde dat door oermensen in zuidelijk Afrika. Daar is nu een nieuwe vondst gedaan: op kleine stenen punten – mogelijk pijlpunten – is gif aangetroffen.
Voor- en achterkant van een van de (mogelijke) pijlpunten. Op de voorkant zijn gifsporen gevonden, op de achterkant is in de jaren 1980 benummering aangebracht (Credit: Marlize Lombard).
Heel lang in de prehistorie waren mensen alleen gewapend met stenen vuistbijlen en messen en met houten speren om zich te verdedigen en om te jagen. Maar ergens in de laatste ijstijd, pakweg tussen 100.000 en 50.000 jaar geleden, breidden de jagers-verzamelaars hun arsenaal uit met een nieuw wapen: de pijl-en-boog. Wanneer die precies is uitgevonden, en waar – wellicht is dat op meerdere plekken, los van elkaar gebeurd – daarover bestaat nog geen duidelijkheid. Al zijn er sterke aanwijzingen dat de pijl-en-boog al ruim 70.000 jaar geleden werd gebruikt in zuidelijk Afrika. Op de site van Sibudu, een overhangende rots gelegen in het oosten van Zuid-Afrika, zijn stenen punten gevonden die te klein waren om als speerpunten te dienen – en daarom denken sommige paleo-antropologen dat het om pijlpunten gaat.
Als de mensen van Sibudu al pijl-en-bogen hadden, heeft het niet zo lang geduurd voor ze die uitvinding nog verbeterden met een nieuwe innovatie: gif. Op andere stenen punten, opgegraven op een andere site in Zuid-Afrika (Umhlatuzana genaamd, eveneens een overhangende rots en niet zo ver van Sibudu) hebben onderzoekers nu sporen van gif aangetroffen. De vorsers denken dat het om pijlpunten gaat, die ze konden dateren op 60.000 jaar oud. Daarmee zouden het veruit de oudste bekende overblijfselen zijn van gifpijlen uit de geschiedenis. Tot hiertoe dateerde het vroegste bewijs van gifpijlen immers uit het holoceen, de warmere periode die begon na het einde van de laatste ijstijd, twaalfduizend jaar geleden. Het onderzoek staat deze week beschreven in het vakblad Science Advances.
De stenen punten werden al in de jaren 1980 opgegraven in Umhlatuzana. Nieuw onderzoek, met moderne chemische analyses, bracht sporen aan het licht van twee giftige stoffen. Beide stoffen komen voor in een in zuidelijk Afrika inheemse plant met de veelzeggende naam gifbol (wetenschappelijke naam: Boophone disticha). Dat is een bolgewas met langwerpige grijsgroene bladeren die boven de grond uitsteken, terwijl de bol voor het grootste deel in de grond zit. Het melkachtige plantensap wordt al eeuwenlang door jagers in zuidelijk Afrika gebruikt om hun pijl- en speerpunten in te dopen. Het is giftig genoeg om klein wild in minder dan een uur te doden. Bij grotere dieren is het niet meteen fataal, maar dat zou volgens de onderzoekers in de prehistorie geen probleem geweest zijn. Als het gif langs een ondiepe wonde in de bloedbaan van prooidieren terechtkwam, moesten de jagers ze maar volgen om ze uiteindelijk, fel verzwakt, te kunnen afmaken. Dat had ook als voordeel dat het gif niet in contact kwam met het grootste deel van het vlees.
‘De introductie van gifpijlen had een grote impact op de jacht in de prehistorie’
Veerle Rots, steentijdarcheologe aan de Universiteit Luik, vindt het een interessant onderzoek. ‘De introductie van gifpijlen had een grote impact op de jacht in de prehistorie. Een dodelijke penetratie was niet meer noodzakelijk, het volstond om wat gif in een prooidier te krijgen.’ Toch plaatst ze ook kanttekeningen bij de studie. Zo werden behalve van de gifstoffen ook andere chemicaliën aangetroffen, zoals een vetzuur afkomstig van palmolie, een basisingrediënt van vele cosmetica. ‘Dat wijst wellicht op contaminatie van de stenen punten door contact met handen, wat ook niet zo verrassend is gezien ze al tientallen jaren geleden zijn opgegraven en ook duidelijk gemanipuleerd zijn geweest (de punten zijn bijvoorbeeld genummerd, red.). Normaal moeten chemische analyses gebeuren vóórdat er contact plaatsvindt.’ Maar de identificatie van de gifstoffen kan Rots wel charmeren. ‘Deze stoffen komen niet frequent voor in de natuur, wat dit onderzoek toch interessant maakt.’
Over de herkomst van de pijl-en-boog is nog niet alles gezegd. Rots kent de Sibudu-site goed, ze heeft er zelf opgravingswerk gedaan. Ze kent ook de artefacten waarvan collega’s van haar denken dat het pijlpunten waren. ‘Dat de punten te klein waren om als speerpunten te dienen, is geen sluitend bewijs. Ze kunnen bijvoorbeeld ook als weerhaken op speren hebben gezeten.’