Decennialang werd gedacht dat de Statenvertaling van de Bijbel uit 1637 het Nederlands heeft gestandaardiseerd. Uit eerder onderzoek is al gebleken dat dat niet waar is. Nieuw onderzoek wijst op de belangrijke rol van kranten.
Beeld: Decennialang werd gedacht dat de Statenvertaling van de Bijbel uit 1637 het Nederlands heeft gestandaardiseerd, maar dat klopt niet. Credit: Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en Westfriesland.
Vóór de zeventiende eeuw was er geen standaard Nederlandse volkstaal. Er was alleen het Middelnederlands, dat bestond uit een verzameling van Nederlandse dialecten.
Aan het einde van de zestiende eeuw groeide de behoefte aan een gemeenschappelijke standaardtaal. ‘De drukpers maakte het mogelijk om teksten op grote schaal te verspreiden’, vertelt historisch taalkundige Machteld de Vos. ‘Tegelijkertijd zorgde migratie voor een mengeling van dialecten in steden, waardoor mensen elkaar niet altijd meer begrepen.’
In die periode verschenen dan ook de eerste spellinggidsen, grammatica’s en woordenboeken. Zo werd van bovenaf bedacht welke regels die Nederlandse standaardtaal zou moeten volgen. De vraag blijft hoe die taalregels hun weg vonden naar het taalgebruik van gewone mensen.
‘Relatief veel mensen – zo’n zestig procent van de mannen en veertig procent van de vrouwen – konden lezen’
Decennialang werd gedacht dat de Statenvertaling van de Bijbel uit 1637 het Nederlands heeft gestandaardiseerd. Uit eerder onderzoek is al gebleken dat dat niet waar is. ‘De Statenvertaling heeft wel een invloed gehad op enkele vaste uitdrukkingen, maar bepaalde niet het verdere taalgebruik,’ vertelt De Vos. ‘De vertaling bevat namelijk veel woorden en constructies die in die periode langzaam verdwenen.’
De rol van kranten
Onderzoekers buigen zich daarom al langer over de vraag hoe het Standaardnederlands dan wél verspreid raakte. De Vos is een van hen. Ze onderzocht of kranten daar misschien een rol in speelden.
Kranten waren ook toen al een vast onderdeel van het dagelijks leven in de Nederlanden en vormden het ideale medium om de regels uit de eerste grammatica’s van het Nederlands te verspreiden. ‘Relatief veel mensen – zo’n zestig procent van de mannen en veertig procent van de vrouwen – konden lezen’, vertelt De Vos. ‘Bovendien waren kranten betaalbaar en breed beschikbaar. Ze waren zo alomtegenwoordig dat ze in schilderijen, liedjes en brieven uit de zeventiende eeuw opdoken. Er zijn zelfs preken overgeleverd van dominees die klagen dat burgers vaker de krant lazen dan de bijbel. Die Statenvertaling werd misschien dus wel minder gelezen dan de krant.’
In literaire werken kwamen meer verschillende vormen van hetzelfde woord voor
Dankzij honderden vrijwilligers die zeventiende-eeuwse kranten hebben overgetypt, kon De Vos voor vier grammaticale constructies bekijken welke regels daarvoor waren opgesteld, en of die ook in de kranten waren toegepast. Dat bleek meestal niet het geval, ontdekte ze. De regel voor het gebruik van hen en hun bijvoorbeeld – die voorschrijft dat je ‘ik geef hun een boek’ moet zeggen, maar ‘de leraar beloonde hen’ – werd al in 1625 geformuleerd, maar werd in de hele zeventiende eeuw niet nagevolgd in de kranten.
Het viel De Vos wel op dat kranten vaak relatief consistent waren in hun taalgebruik. ‘Voor bijvoorbeeld het werkwoord ‘zingen’ stonden de regels vaak nog de oude verleden tijdsvorm ‘zang’ toe, terwijl die in de ruim 6.000 kranten die ik heb onderzocht maar drie keer voorkomt. Kranten gebruikten bijna zonder uitzondering, ruim 8.000 keer, de verleden tijdsvorm ‘zongen’.’
Grammatica’s daarentegen stonden meer variatie toe. En ook in andere tekstsoorten, zoals literaire werken, kwamen meer verschillende vormen van hetzelfde woord voor. ‘Misschien hadden kranten dus wel een voortrekkersrol in een meer uniform taalgebruik', besluit De Vos.