Dino’s kregen mogelijk eerst een vuurstorm te verduren

Toen de Chicxulub-asteroïde 66 miljoen jaar geleden insloeg, was dat misschien nog maar het begin van de ramp. Nieuw onderzoek suggereert dat een wereldwijde stofdeken de hitte van de inslag vasthield en terugkaatste naar de aarde. Het gevolg? Wereldwijde natuurbranden die het einde van de dinosauriërs mogelijk al binnen enkele uren bezegelden.

Dat een asteroïde-inslag het tijdperk van de dinosauriërs beëindigde, staat al lang vast. Deze werd recentelijk nog geïdentificeerd als zeldzame CO-chondriet. Maar hoe die massa-extinctie precies verliep, blijft onderwerp van discussie. Sommige onderzoekers denken dat dieren vooral stierven door een jarenlange 'impactwinter', waarbij stof en roet het zonlicht blokkeerden en ecosystemen instortten. Een nieuwe Amerikaanse studie schuift nu een andere hoofdverdachte naar voren: extreme hitte in de eerste uren na de inslag.

Grillplaat

Toen de ongeveer tien kilometer brede Chicxulub-asteroïde insloeg op het huidige Mexicaanse schiereiland Yucatán, verdampte een enorme hoeveelheid gesteente. Een deel daarvan stolde tot piepkleine, gesmolten steendeeltjes, zogenaamde sferulen, die als miniatuurmeteorieten terug naar de aarde vielen. Tijdens hun val veroorzaakte de wrijving met de atmosfeer een intense hittepuls, vergelijkbaar met een oven op de grillstand.

Volgens de onderzoekers werd die hitte nog verder versterkt door een wereldwijde laag fijn stof. Die werkte als een isolerende deken: ze hield warmte vast en straalde die opnieuw uit naar het aardoppervlak. Eerdere simulaties wezen erop dat de terugvallende sferulen voldoende hitte produceerden om dieren zonder beschutting te doden, maar niet genoeg om wereldwijd bossen in brand te steken.

Extreme hitte

De onderzoekers namen die conclusie opnieuw onder de loep door bestaande simulaties te combineren met een recente geologische ontdekking. In 2023 vonden wetenschappers een uitzonderlijk fijne stoflaag terug in gesteentelagen uit de periode van de massa-extinctie.

De stralingsdosis voor dieren zonder beschutting zou zo hoog genoeg zijn geweest om dodelijk te zijn

Op basis daarvan berekenden ze hoeveel stof zich na de inslag in de atmosfeer moet hebben bevonden. Volgens hun model zorgde dat stofdeken ervoor dat de hitte aan het aardoppervlak ongeveer 3,5 keer hoger lag. Dat zou voldoende zijn geweest om gras, dennennaalden en korstmossen spontaan te laten ontbranden, waarna grootschalige natuurbranden konden ontstaan. Ook de stralingsdosis voor dieren zonder beschutting zou zo hoog genoeg zijn geweest om dodelijk te zijn.

Vuur of ijs

Opmerkelijk is dat dezelfde stoflaag ook past binnen de theorie van de impactwinter. Nadat de vallende sferulen verdwenen waren en de natuurbranden uitdoofden, bleef het fijne stof nog jarenlang in de atmosfeer hangen. Daardoor werd zonlicht tegengehouden en koelde de aarde wereldwijd sterk af.

Toch benadrukken de onderzoekers dat bijkomend geologisch onderzoek, vooral buiten Noord-Amerika, nodig is om met zekerheid te kunnen stellen dat wereldwijde natuurbranden de belangrijkste doodsoorzaak waren. De studie versterkt volgens hen wel het idee dat de inslag zelf al zo verwoestend was dat hij het lot van de dinosauriërs mogelijk binnen enkele uren bezegelde, nog vóór de langdurige afkoeling van de aarde haar volle impact had.