Peuters zijn taalvaardiger dan gedacht

Kinderen van twee jaar kunnen al voorspellen wanneer het iemands beurt is om te praten.

Wanneer volwassenen met elkaar praten, maken ze voortdurend voorspellingen. Over wanneer hun gesprekspartner klaar is met spreken bijvoorbeeld, en of die van hen een antwoord verwacht. Zo vermijden ze dat ze door elkaar heen praten of dat er ongemakkelijke stiltes vallen.

Uit eerder onderzoek was al gebleken dat jonge kinderen ook dergelijke voorspellingen maken, maar hoe ze dat precies doen was tot nog toe een raadsel. Het voorspellen van beurtwisselingen vergt namelijk aardig wat talige kennis die jonge kinderen vaak nog niet hebben.

Taalwetenschapper Imme Lammertink van het Baby & Child Research Center van de Radboud Universiteit onderzocht daarom samen met haar collega’s van het Max Planck Instituut en van de universiteit van Chicago welke talige informatie peuters gebruiken om voorspellingen te maken.

De poppetjes spraken met elkaar in het Nederlands of in het ‘Nepperlands’

Ze onderzochten hierbij of simpele woordjes als ‘jij’ en ‘ik’ al voldoende zijn voor peuters om een beurtwisseling te voorspellen. De kans dat een beurtwisseling volgt na het horen van ‘jij’ is immers groter dan na het horen van ‘ik’ omdat we eerder een vraag stellen aan een ander dan aan onszelf.

Om dat na te gaan lieten de onderzoekers kinderen van 1 tot 4 jaar naar een animatie kijken van twee poppetjes die met elkaar aan het praten waren. De poppetjes spraken met elkaar in het Nederlands of in het ‘Nepperlands’, een neptaal waarin alle inhoudswoorden vervangen waren door niet-bestaande woorden, behalve de woordjes ‘jij’ en ‘ik’. Dat gaf zinnetjes als ‘Fut jij ze lerf ganden’.

Voorspellende oogbewegingen

De onderzoekers registeerden tijdens de animatie de oogbewegingen van de kinderen en gingen in het bijzonder na of peuters nog voordat het sprekende poppetje klaar was met praten al naar het andere poppetje keken. Want dat zou betekenen dat ze al konden voorspellen dat er in het gesprek een beurtwisseling ging plaatsvinden.

Uit het onderzoek bleek dat peuters al vanaf 2 jaar voorspellende oogbewegingen maken. En dat ze dat meer doen bij vragen waarin ‘jij’ voorkomt dan bij vragen met ‘ik’ erin. Peuters hebben dus al door dat er na vragen met ‘jij’ vaker iemand anders aan het woord komt dan na vragen met ‘ik’.

Maar peuters deden dat alleen als ze filmpjes in het Nederlands zagen. Bij de filmpjes in het Nepperlands was er geen bewijs voor een verschil in het aantal voorspellingen voor ‘jij’ en ‘ik’. Dat betekent dat kinderen dus al meer talige informatie nodig hebben én gebruiken dan tot nu toe werd gedacht. Ze luisteren dus wel degelijk naar de hele zin, en niet alleen naar losse woordjes.

3-jarigen met een taalontwikkelingsstoornis kunnen net als hun leeftijdsgenoten beurtwisselingen voorspellen

Verder ontdekten de onderzoekers dat het aantal voorspellende oogbewegingen die kinderen maken toeneemt met de leeftijd. Eénjarige kinderen blijken de signalen nog niet op te vangen, maar vanaf hun tweede levensjaar worden kinderen steeds beter in het voorspellen van beurtwisselingen.

Kinderen met taalontwikkelingsstoornis

Omdat het reageren op talige aanwijzingen samenhangt met taalvaardigheid, gingen de onderzoekers na of ook kinderen waarvan ze vermoedden dat ze een taalontwikkelingsstoornis hadden, ook in staat waren om beurtwisselingen te voorspellen.

Dergelijke kinderen beginnen vaak laat met praten, begrijpen anderen minder goed, zijn soms moeilijk te verstaan en maken korte zinnen.

Uit het onderzoek bleek dat 3-jarigen met een taalontwikkelingsstoornis net als hun leeftijdsgenoten zonder dergelijke stoornissen beurtwisselingen kunnen voorspellen. Ze waren er wel trager in dan hun leeftijdsgenoten, wat kan verklaren waarom deze kinderen in een gesprek soms wat trager reageren. 

De resultaten betekenen dat kinderen met een taalontwikkelingsstoornis wel degelijk begrijpen wanneer ze aan de beurt zijn om te praten en ook snappen dat er op vraagzinnen een antwoord volgt. Maar ook dat je deze kinderen beter kan leren om van beurt te wisselen door meer vragen te stellen. ‘Het helpt om deze vraagzinnen te beginnen met een werkwoord en daarin het persoonlijke voornaamwoord ‘jij’ te gebruiken’, vertelt Lammertink. ‘Zo vangen ze sneller het signaal op dat er een antwoord van hen wordt verwacht.’