Leraren leren niet alleen op studiedagen of in begeleidingstrajecten. Veel vaker worden ze gevormd door collega’s die elke dag tonen hoe je kunt lesgeven, bijsturen en opnieuw beginnen. En soms ook door collega's die tonen hoe het helemaal niet moet.
Het is 1 september 2022. Mijn eerste werkdag als leraar, in de school waar ik zelf als leerling heb gezeten. Dezelfde speelplaats, dezelfde gangen, dezelfde lokalen. Toch voelt alles anders. Niet omdat de school veranderd is, maar omdat mijn plaats erin veranderd is. Opeens sta ik niet meer in de rij. Ik sta ervoor.
De maanden die volgen, zijn mijn vuurdoop als leraar. Voor de klas staan. Lessen voorbereiden. Vergaderingen volgen. Namen proberen te onthouden van bijna tweehonderd pubers, liefst nog voor Kerstmis. En ondertussen: blijven groeien als leraar. Ontvangdagen, aanvangsbegeleiding, nascholingen, pedagogische studiedagen. Op papier heb ik niets te klagen. Er is begeleiding, er is aanbod, er is structuur.
En toch. Als ik vandaag, we zijn intussen 2026, terugdenk aan wat mij als leraar het meest gevormd heeft, zijn het niet die trajecten die als eerste opkomen. Het is Ben, de wiskundeleraar die samen met mij gestart was en net zo goed verdronk in Smartschoolberichten, puntenlijsten en de vraag waarom je als leraar soms zo weinig aan lesgeven lijkt toe te komen. Het is Dorien, ooit mijn godsdienstleraar en plots mijn parallelcollega, die liet zien hoe je een vak dat iedereen denkt te kennen toch opnieuw fris kan maken. En het zijn ook enkele andere collega’s van wie ik vooral leerde hoe ik later liever niet wilde worden.
Vraag leraren wat hen professioneel het meest heeft gevormd, en je krijgt zelden een antwoord dat past bij hoe scholen professionalisering organiseren. Geen studiedag. Geen functioneringsgesprek. Geen driedaagse opleidingen. Wel een collega die niet meteen advies gaf, maar bleef doorvragen tot de echte kwestie bovenkwam. Een collega die na een lastige les geen pasklaar antwoord had, maar gewoon zei: “Morgen probeer je het opnieuw.”
Natuurlijk hebben studiedagen, nascholingen en begeleidingsgesprekken hun nut. Zeker nu het onderwijs volop beweegt. Maar wie alleen naar studiedagen kijkt, mist een groot deel van het echte leerverkeer in scholen. Leraren leren voortdurend informeel: door te kijken, te vergelijken, over te nemen, zich te herkennen of zich net af te zetten. Vaak gebeurt dat via rolmodellen. Alleen noemen leraren die mensen niet altijd zo, en hebben die rolmodellen meestal niet door dat ze een leerbron zijn.
Een uitgeholde term
De term rolmodel wordt al decennia vlot gebruikt. Vaak té vlot. Een vrouw in een managementfunctie? Rolmodel. Een student met migratieachtergrond aan de universiteit? Rolmodel. Een leraar met hoofddoek voor de klas? Rolmodel. Zeker na de verkiezing van Barack Obama in 2008 leek de term nog vaker op te duiken. Meestal met goede bedoelingen, maar zelden met veel precisie.
De collega van wie je het meest leert, is niet noodzakelijk de collega die het best lesgeeft
Daardoor klinkt de term wel positief, maar blijft het vaak vaag wat er precies bedoeld wordt. Is een rolmodel iemand die je bewondert? Iemand die op jou lijkt? Iemand die succes heeft? Of iemand van wie je daadwerkelijk iets leert?
Die laatste vraag is hier de belangrijkste Een rolmodel is niet zomaar iemand met status of zichtbaarheid. Het is iemand die voor een ander een betekenisvol referentiepunt wordt. Iemand die op een herkenbare en haalbare manier iets toont van handelen, denken of zijn. Dat kan iets zijn wat je wil overnemen. Maar ook iets wat je bewust wil vermijden. Rolmodellen zijn namelijk niet uitsluitend positief. Ze werken via observatie, identificatie en imitatie. Je kijkt naar iemand, herkent iets, neemt iets mee, past het aan. Of je beslist: zo wil ik het niet doen.
Daar zit meteen een wat ongemakkelijke conclusie in: de collega van wie je het meest leert, is niet noodzakelijk de collega die het best lesgeeft.
Aan de koffiemachine
In mijn onderzoek naar rolmodellen bij Vlaamse leraren komt één patroon steeds terug: de mensen met de meeste zichtbaarheid zijn zelden de mensen met de grootste leerwaarde. Een directeur, vakexpert of pedagogisch begeleider kan een belangrijk rolmodel zijn, maar alleen wanneer hun handelen herkenbaar, relevant en veilig genoeg voelt om ervan te leren.
Omgekeerd kunnen gewone collega’s net bijzonder veel invloed hebben. Niet omdat ze een rol spelen in een opleiding, maar omdat ze elke dag zichtbaar maken hoe je leraar kan zijn. Hoe je omgaat met leerlingen, collega’s, ouders, werkdruk, onzekerheid en teleurstelling. Niet in een PowerPoint, maar tussen twee lessen door, aan de koffiemachine, in een oudergesprek of voor een klas die niet mee wil.
Wat maakt iemand dan tot zo’n rolmodel? In de data komen drie lagen terug.
De eerste laag is praktijk. Een rolmodel moet iets doen waarvan een andere leraar denkt: zo kan het dus. Niet in theorie, maar zichtbaar in het dagelijkse werk. In de manier waarop iemand instructies geeft, reageert op weerstand, een klas stil krijgt zonder te roepen, of rustig blijft wanneer de sfeer kantelt. Goed lesgeven op een makkelijke dag maakt hierbij weinig indruk. Goed blijven handelen onder druk geeft geloofwaardigheid. Daar, op die momenten, wordt voorbeeldgedrag leerbaar.
De tweede laag is redenering. Een rolmodel toont niet alleen wat werkt, maar laat ook iets zien van het waarom erachter. Een collega die in een rumoerige klas niet meteen ingrijpt, lijkt op het eerste gezicht misschien gewoon opvallend gelaten. Pas achteraf zegt ze: “Als ik op alles reageer, geef ik de klas het stuur in handen.” Zo’n zin verandert als startende leraar wat je gezien hebt. Plots was die rust geen toeval, maar een keuze. Geen trucje om over te nemen, maar een manier van denken die je zelf kunt meenemen.
In elke school lopen leraren rond die elke dag tonen hoe je kunt lesgeven, volhouden, bijsturen, begrenzen, zorgen en opnieuw beginnen
De derde laag is relationaliteit. Leraren leren niet automatisch van iemand die goed is in het vak en inzicht geeft in het achterliggende waarom. Ze leren wanneer er genoeg veiligheid is om onzeker te mogen zijn. Een rolmodel maakt leren mogelijk wanneer je kunt denken: ik mag hier iets nog niet kunnen, zonder dat mijn geloofwaardigheid als leraar op het spel staat. Precies die veiligheid maakt het mogelijk om niet alleen naar iemand op te kijken, maar ook iets van die persoon over te nemen.
In het verborgene
Opvallend is dat rolmodelrelaties vaak niet beginnen met een leraar die bewust iemand uitkiest. Ze ontstaan eerder op kleine momenten waarop iemand herkenning of vertrouwen oproept. Een directeur die vraagt: “Jij kent deze school beter dan wie ook, wat werkt hier?” Een collega die zegt: “Ik zie dat je zoekt, maar ik zie ook dat je weet waar je naartoe wil.” Zulke zinnen lijken klein. Toch kunnen ze vaak de voorzet geven tot een rolmodelrelatie.
Ook afstand speelt een rol. Een rolmodel moet bereikbaar aanvoelen. Je kan iemand bewonderen die zo ver boven je staat dat je zijn manier van werken nooit als de jouwe kunt voorstellen. Dat inspireert misschien, maar verandert weinig aan je eigen handelen. De sterkste rolmodellen staan vaak op middellange afstand: zichtbaar genoeg om van te leren, herkenbaar genoeg om je ermee te verbinden, maar net ver genoeg om iets nieuws te tonen. Daarom is de collega die elke dag even binnenloopt vaak belangrijker dan de grote naam op de studiedag. Niet spectaculair, wel beschikbaar.
Moeten scholen nu in hun lerarenkamer actief op zoek gaan naar rolmodellen? Liever niet. Zodra je iemand officieel tot rolmodel benoemt, plaats je die persoon op een podium. Dan riskeer je precies te verliezen wat de relatie krachtig maakt: het informele, het ongestructureerde, het niet-opgelegde. Wie bewust als voorbeeld wordt ingezet, verliest al snel de veiligheid die het leren mogelijk maakt.
De betere vraag is welke condities rolmodelwerking mogelijk maken. Dat vraagt tijd om bij elkaar binnen te lopen. Ruimte om lessen te observeren zonder beoordelingsdruk. Ruimte voor gesprekken waarin leraren niet alleen delen wat ze doen, maar ook waarom. Ruimte voor een cultuur waarin onzekerheid geen teken van zwakte is.
Die vraag is vandaag urgenter dan ooit. Het Vlaamse onderwijs staat onder druk. Lerarentekorten, hoge werkdruk, veranderende leerlingenpopulaties, toenemende zorgnoden en steeds nieuwe verwachtingen leggen veel op de schouders van scholen én leraren. Vaak zoeken we de oplossing in nieuwe plannen, structuren en professionaliseringstrajecten. Die kunnen relevant zijn. Maar misschien kijken we daardoor soms te weinig naar wat al in scholen aanwezig is.
De kracht van verandering zou ook uit de lerarenkamer kunnen komen. Niet als mirakeloplossing, maar als onderbenutte leerinfrastructuur. In elke school lopen leraren rond die elke dag tonen hoe je kunt lesgeven, volhouden, bijsturen, begrenzen, zorgen en opnieuw beginnen. De vraag is of we voldoende ruimte maken opdat collega’s dat van elkaar kunnen zien.
Want vaak begint professionele groei niet met een opleiding. Vaak begint ze met een collega als Dorien die iets doet waardoor je denkt: zo kan het dus ook.