Bij ouderlijke zorg denk je niet meteen aan insecten. Deze zespoters kennen echter een indrukwekkende diversiteit van levensstijlen. Toegewijde ouders die hun larven verzorgen? Ze bestaan. Bij de doodgraver kent het ouderlijke takenpakket bovendien een flexibele invulling.
Ouders ontfermen zich over hun kroost. Het tweeouderlijk systeem kennen we erg goed, maar ook de opvoeding van kinderen door een ouder, hetzij een moeder of een vader, klinkt ons niet vreemd in de oren. Verschillende vormen van ouderlijke zorg vind je ook terug bij wilde dieren, al kan die zorg ook helemaal ontbreken. Voor tal van soorten geldt de regel van jeugdige plantrekkerij. Bij sommige vogels wordt de ouderlijke hulp van moeder en vader uitgebreid door familiale hulp van oudere broers en zussen. Dat is bijvoorbeeld zo bij waterhoenen. Bij staartmezen helpen paartjes waarvan het eigen broedsel mislukte soms bij het voeren en grootbrengen van de kroost van verwante koppels.
Hotel oorworm
Hoe staat het met ouderlijke zorg bij insecten? Bij sociale insecten zoals bijen, wespen en mieren kennen we het systeem van de materniteit in hun kolonie waar werksters de larven verzorgen en voeden. Ook binnen diverse andere takken van het insectenrijk evolueerden uiteenlopende vormen van ouderlijke zorg. Soms beperkt die zorg zich tot het uitkiezen van een geschikte plek waar het vrouwtje een of meerdere eieren legt. Die keuze kan erg bepalend zijn voor het succes van de nakomelingen. Dat is zo bij vlinders. Andere insecten bouwen of graven een nest en voorzien een voedselvoorraad voor hun larven. Het geldt voor de bijenwolf, een graafwesp. Oorwormen tonen verrassend complex moedergedrag waarbij de jongelui worden beschermd en actief gevoed. Er blijkt ook coöperatief gedrag op te treden tussen de jonge oorwormen. De oorworm vormt nu een modelsysteem voor de studie van de evolutie van sociaal en oudergedrag.
Zand erover
Lastige leefomgevingen met schaarse voedselbronnen en stevige roofdruk worden erkend als evolutionaire drijfveren van ouderlijke zorg, zowel bij insecten als bij andere dieren. De schaarste van voedselbronnen kan samenhangen met een hoge mate van concurrentie. Er bestaat uiteraard rivaliteit binnen de eigen soort, maar wedijver is ook mogelijk met andere soorten die zich beroepen op dezelfde voedselbronnen. Een boeiende casus van tweeouderlijke zorg vinden we bij doodgravers. Het zijn aaskevers waarvan de larven zich voeden met vlees van een vers kreng: een dode muis of een ander klein zoogdier.
De onderzoekers vermoeden dat hoge concurrentierisico’s zeker het mannetje nog meer doet investeren in de bewaking van de dode muis
De geur van een dode muis wekt bij ons afkeer en dus afstoting op. Bij doodgravers werkt de lijkgeur als aantrekkingsmiddel. Een startsein voor een nieuwe voortplantingscyclus. Als een mannetje en vrouwtje op de gesneuvelde muis landen, wordt er gepaard en starten ze de ouderlijke taken. De muis wordt bewaakt en begraven. Het vlees wordt behandeld met antibacteriële stoffen uit hun bek. Doodgravers danken hun naam aan het graafwerk. Die ondergrondse aanpak evolueerde als antwoord op de concurrentie van bromvliegen. De larven van bromvliegen lusten ook het vlees van een dode muis. De muis ingraven werkt alleen tegen bromvliegen als de kevers eerst arriveren. Timing is alles.
Experimentele manipulatie met dode vliegen
Recent verschenen in het vakblad Journal of Animal Ecology de resultaten van een leerzaam experiment. De onderzoekers gingen aan de slag met de gewone doodgraver (Nicrophorus vespilloides) en een van zijn concurrenten voor de hongerige kroost, de roodbaard-bromvlieg (Calliphora vomitoria). De vlieg staat ook bekend als de blauwe vleesvlieg.
In het lab kregen willekeurig samengestelde paartjes van deze kever een dode muis aangeboden. De studie liet evenwel geen wedijver van bromvliegen toe, maar alleen de schijn van concurrentie. In verschillende behandelingen werden op de dode muis geen enkele, één dode vlieg of een kudde van tien dode vliegen geïnstalleerd. De aanwezigheid van de bromvlieg, ook al is die dood, werkt als visueel signaal voor mogelijke concurrentie zonder dat het daadwerkelijk tot hongerige, concurrerende maden zal leiden. De biologen van de University of Edinburgh manipuleerden ook de timing waarop de vliegen opdoken. Een groep van kevers had meteen een of meerdere vliegen op hun muis, terwijl dat bij een andere testgroep pas na vierentwintig uur het geval was. In het experiment konden de kevers de muis niet begraven.
En wat bleek? Zowel de mannetjes als vrouwtjes van de kevers bleven langer zorgen voor de larven als er vliegen werden gesignaleerd. Het is een flexibele verandering van het gedrag op basis van omgevingsprikkels. De vliegen werden in veruit de meeste gevallen ook aangevallen. Tot de verbazing van de onderzoekers boekten de doodgravers minder voortplantingssucces in de aanwezigheid van vliegen, dus bij een signaal van concurrentie maar zonder operationele concurrentie. Het aantal vliegen maakte niets uit. Het was de aanwezigheid van de vlieg, en dus van de visuele prikkel van mogelijke concurrentie, die het effect uitlokte. De impact was sterker als de vliegen vroeg van de partij waren. Het timingeffect bleek meer uitgesproken voor de duur van ouderlijke zorg van de mannetjes. Maar ook de grootte van het keverbroedsel werd kleiner bij de vroege aanwezigheid van vliegen.
De studie toont dat signalen voor het risico op concurrentie van een andere soort invloed hebben op het ouderlijke gedrag van deze kevers. De onderzoekers vermoeden dat hoge concurrentierisico’s zeker het mannetje nog meer doet investeren in de bewaking van de dode muis. Dat zou dan ten koste gaan van andere ouderlijke taken. Het zou het lagere voortplantingssucces tegenover de controlebehandeling kunnen verklaren.
De studie opent boeiende nieuwe perspectieven voor het begrijpen van ouderzorg bij deze aaskevers. Of hoe morbide experimenten met dode muizen allesbehalve een dood spoor vormen voor onze inzichten over de flexibele inzet van oudergedrag bij insecten onder wisselende en onvoorspelbare milieuomstandigheden.