De beelden van grondslapers en overvolle cellen gingen de voorbije weken viraal. De reflex is bekend: 'Er zijn te weinig plaatsen, we moeten bijbouwen.' Maar wie dagelijks in gevangenissen werkt of onderzoek doet, ziet dat de crisis veel dieper gaat dan een logistiek tekort.
In de politieke discussie wordt overbevolking vaak teruggebracht tot cijfers: het aantal beschikbare cellen, het personeelstekort, het aantal matras-slapers. Maar tijdens mijn vierjarige etnografische studie in de gevangenissen van Hasselt, Oudenaarde en Beveren zag ik iets anders. Gevangenissen worden steeds meer de restplaatsen van maatschappelijke kwetsbaarheid. Mensen die complexe psychische problemen hebben, in zware armoede of instabiele thuissituaties leven of verslaafd zijn belanden er omdat er elders nauwelijks opvang of begeleiding beschikbaar is.
Detentie veronderstelt zorg: een menswaardige omgeving, begeleiding en ondersteuning. Maar een systeem dat al moeite heeft om die basiszorg te bieden, kan onmogelijk ook de gespecialiseerde zorg opnemen die elders verdwenen is. Daardoor wordt de gevangenis een plek waar uiteenlopende problematieken zoals psychisch lijden, armoede, verslaving, dakloosheid en bredere structurele kwesties samenkomen. Het systeem gaat onder die zorglast zelf ten onder, waardoor mensen net kwetsbaarder worden in plaats van sterker.
Wat er in gevangenissen ontbreekt, gaat verder dan ruimte of bedden. Het gaat om de vraag hoe mensen binnen de muren mens kunnen blijven, en precies daar vallen de kleine praktijken op die een verschil kunnen maken.
Wat er werkelijk ontbreekt: ruimte voor menselijkheid
In interviews en observaties vertelden mensen hoe het dagelijkse gevangenisleven hen niet alleen vrijheid, maar ook ‘agency’ ontneemt: de mogelijkheid om zelf keuzes te maken, initiatief te nemen, betekenis te creëren. Tijd krijgt binnen de muren een andere structuur: wachten, tellen, gecontroleerd worden. Zelfs het kleinste moment van zelfstandigheid; wanneer sporten, met wie praten, hoe de dag te vullen, wordt bemiddeld door regels en routines. Precies daarom viel één element in mijn onderzoek zo sterk op: vrijwillige activiteiten, zoals sport die niet verplicht was, hadden een opvallend groot effect.
Het ging niet om de sport zelf, maar om de betekenis van vrijwilligheid in een verder volledig gedwongen omgeving. In zulke momenten ervaarden mensen opnieuw iets wat elders schaars is de mogelijkheid om zelf te kiezen, een coach die hen als mens aansprak en een ruimte waar de logica van controle even wijkt voor ontmoeting en menselijkheid.
Deze momenten waren klein, maar vormden bronnen van waardigheid.
Ondanks alle beperkingen tonen sociaal werkers, sportbegeleiders en culturele initiatieven elke dag dat menselijkheid noodzakelijk is binnen de muren. In mijn veldwerk zag ik talloze voorbeelden van wat ik ‘pockets of humanisering’ noem: kleine ruimtes waarin vertrouwen, vrijwilligheid en ontmoeting de boventoon voeren. Een sportcoach die contact houdt na vrijlating of een gesprek waarin iemand niet als risico maar als mens wordt benaderd, zijn kleine gebaren met grote morele gevolgen. Ze tonen dat herstel begint bij erkenning, ontmoeting en relatie, niet bij beheersing.
Waarom dat werkt: inzichten uit sociaal werk
Vanuit sociaal werk beschrijven we dit met een eenvoudig maar krachtig inzicht: mensen hebben niet alleen middelen nodig (een bed, een maaltijd), maar ook reële kansen om iets op te bouwen dat betekenisvol is.
Daarvoor zijn niet alleen activiteiten nodig, maar ook omstandigheden die die activiteiten tot echte mogelijkheden maken: tijd, vertrouwen, continuïteit en veilige relaties. Juist die omstandigheden ontbreken vandaag structureel. De begeleiding is versnipperd, sport- en cultuurcoaches werken op projectbasis, opvolging na vrijlating is beperkt, personeel krijgt steeds meer controle- en registratietaken en de samenwerking met de buitenwereld is broos. Daardoor verdwijnt wat sociaal werk relationaliteit noemt: de menselijke ontmoeting die herstel mogelijk maakt.
Vrijwilligheid, ontmoeting en wederzijdse erkenning blijken in die context geen bijkomstigheid, maar de motor van verandering. Ze geven mensen opnieuw een gevoel van waardigheid en toekomst.
De oproep tot 'collectieve genade'
Gevangenisdirecteur Serge Rooman pleitte recent voor een uitzonderlijke collectieve genademaatregel. Op het eerste gezicht klinkt dat radicaal. Maar sociaal en moreel gezien is het vooral een wake-upcall.
Het legt een ongemakkelijke waarheid bloot: de kloof tussen wat het systeem technisch aankan en wat het ethisch moet kunnen dragen is te groot geworden. Genade, in deze betekenis, gaat niet over straffeloosheid of vergiffenis. Het gaat over een tijdelijke reset die nodig wordt wanneer een systeem vastloopt en mensenlevens beschadigt. Wanneer wachtlijsten, overbevolking en gebrek aan zorg elkaar versterken, moet de vraag worden gesteld of vasthouden aan de bestaande straflogica nog verantwoord is.
Vanuit een sociaal-werkperspectief sluit die oproep opvallend nauw aan bij wat hulpverleners al jaren signaleren. Sociaal werk vertrekt vanuit menswaardigheid, herstel en relationele nabijheid. Wanneer een systeem zo overbelast raakt dat deze waarden niet langer kunnen worden gerealiseerd, is een structurele adempauze onvermijdelijk. Genade wordt dan geen zwaktebod, maar een noodzakelijke ruimte om opnieuw menswaardig te kunnen handelen, precies de ruimte waar sociaal werkers elke dag voor proberen te vechten.
Op weg naar een ander kompas
De huidige crisis vraagt meer dan bijbouwen. Ze vraagt moed om te erkennen dat een efficiëntiesysteem geen antwoorden heeft op morele problemen. Een gevangenis kan pas veilig zijn als ze ook menselijk is.
Daarvoor structurele investeringen in alternatieven buiten en binnen de muren nodig. Continuïteit tussen detentie en vrijlating en een stabiele, duurzame begeleiding in plaats van projectmatige versnippering zijn cruciaal. Het zou goed zijn als er minder nadruk op controle komt en meer op herstel, en dat binnen een beleid dat menselijkheid niet als luxe ziet, maar als kernelement van rechtvaardigheid.
Want uiteindelijk gaat de vraag niet over hoeveel bedden we kunnen bijbouwen, maar over de ruimte voor waardigheid die we als samenleving durven creëren.
Een morele spiegel
De grondslapers van vandaag confronteren ons met een fundamentele realiteit: gevangenissen zijn het morele afvalvat geworden van beleid dat elders tekortschiet. De muren die vandaag barsten, zijn vooral de muren van onze collectieve verantwoordelijkheid. Ze dwingen ons om opnieuw te na te denken over wat samenleven betekent. Niet in termen van capaciteit of controle, maar in termen van menselijkheid, rechtvaardigheid en gedeelde verantwoordelijkheid.